De Nederlandse samenleving is
op zoek naar het beste pensioencontract. Wie over
dit onderwerp nadenkt, moet iets zeggen over de
vorm van het pensioenstelsel en de mate van gewenste
solidariteit daarin. Een tweede wezensvraag is
de keuze voor de uitvoering. Collectief of individueel?
Kunnen mensen het aan om zelfstandig een goed
pensioen op te bouwen? Zo niet, moet de overheid
ons dan volledig onder haar hoede nemen of is
het toereikend dat er pensioen-Ikea's komen?
Samen werken, samen leven. Het regeerakkoord windt
er geen doekjes om. Het streven zal zijn om waarden
als solidariteit en collectiviteit weer zwaarder
te laten wegen in het beleid. Logischerwijs staat
dat uitgangspunt op gespannen voet met vrijheid
en individualiteit. Maar in Europa lijkt de tijd
rijp voor deze lichte koerswijziging.
Van oudsher is ons pensioenstelsel behept met
collectiviteit en solidariteit. AOW-rechten zijn
weliswaar - min of meer - individueel, maar volledig
gebaseerd op solidariteit tussen generaties. De
tweede pijler bestaat uit, doorgaans, collectief
opgebouwde pensioenfondsen waarbij diverse varianten
van solidariteit een rol spelen. Ten slotte zijn
er aanvullende producten met fiscale voordelen,
met of zonder solidariteit, en is er de mogelijkheid
voor vrije vermogensvorming. Dat zijn respectievelijk
de derde en vierde pijler.
Fiscaal faciliteren van het sparen voor de oude
dag is internationaal nauwelijks omstreden. Hoewel
je kunt betogen dat hoe vlakker het verloop van
belastingtarieven, hoe minder relevant het is.
Belangrijker is dan of je na verrekening van kosten
beter kunt beleggen dan je pensioenfonds. Dat
zou kunnen omdat je als jongere meer risico's
kunt nemen dan het gemiddelde fonds doet. Als
je gezond blijft heb je immers nog vele, redelijk
zekere, jaarlijkse inkomsten voor je.
Ten aanzien van collectiviteit en solidariteit
ligt de perceptie anders. In het Angelsaksische
denken is men daarvan afscheid aan het nemen.
De begrippen liggen dicht bij elkaar maar zijn
bepaald niet hetzelfde. Ook in individuele 'defined
contribution'-regelingen tref je vaak een zekere
mate van solidariteit aan. In 'defined benefit'-regelingen
zal de solidariteit echter doorgaans groter zijn.
Om het nog ingewikkelder te maken zijn ook 'collectieve
defined contribution'-regelingen in opkomst of
bewegen 'defined benefit'-regelingen in die richting.
Bijvoorbeeld omdat de sponsor een maximaal jaarlijks
te betalen premiesom heeft afgekondigd.
Eerst een filosofisch perspectief. Hoe zou het
pensioencontract eruitzien als je met een blanco
blaadje begint? De filosoof John Rawls liet in
een (hypothetische) beginsituatie burgers onderhandelen
over een sociaal contract. Hij concludeerde dat
het algemeen recht op een ruim pakket aan vrijheden
als eerste op dat blaadje zou komen te staan,
mits je natuurlijk niemand daarmee in de wielen
rijdt of vrijheden ontneemt. Ten tweede moeten
mensen met gelijke mogelijkheden gelijke kansen
krijgen. En dat zegt meteen iets over de mate
van solidariteit die je wilt accepteren. Omdatindividuen
risicomijdend zijn en vooraf onzeker over de eigen
plaats in de samenleving, zullen ze kansen afwegen
en solidariteit accepteren voor zover ze zelf
ook de kans hebben om in een bepaalde situatie
terecht te komen. DIt wordt bijvoorbeeld geïllustreerd
door het feit dat actieven pensioenpremies willen
betalen voor arbeidsongeschikten. Maar ook door
solidariteit tussen generaties. Mits je er als
jongere op kunt rekenen dat als jij oud bent grosso
modo dezelfde rechten gelden. Tegen dat uitgangspunt
is gezondigd bij vele vut-regelingen.
Dan het perspectief van de moderne samenleving.
De laatste tientallen jaren bewogen we in de richting
van individualisme, het Amerikaanse model. Maar
het zwaartepunt van de economische en politieke
macht verschuift geleidelijk aan naar Azië. Is
het te kort door de bocht om te veronderstellen
dat die verschuiving toenemende aandacht betekent
voor collectiviteit met een beperktere solidariteit
dan die van de Europese traditie?
De belangrijkste minpunten van een individuele
aanpak voor pensioenopbouw zijn de kosten en de
beperkte financiële geletterdheid van mensen.
Het individu heeft minder onderhandelingskracht
en moet bijdragen aan de winstmarge en de marketing-
en kapitaalskosten van financiële instellingen.
De uitvoering wordt dus duurder dan bij collectieve
regelingen. Daarnaast zijn we nogal 'bijziend'
en wordt aan consumptie nu de voorkeur gegeven
boven het brengen van offers voor later. We begrijpen
bovendien vaak niet precies hoe financiële producten
of pensioenregelingen in elkaar zitten. Toch zijn
deze problemen wel op te lossen. Je kunt verplichtstelling
behouden, minimaal tot aan een salarismaximum,
en ook iedereen een aantal verzekeringselementen
af laten nemen (vergelijk wettelijke aansprakelijkheidsverzekeringen).
Collectieve inkoop door voldoende grote eenheden
verlaagt de kosten bij behoud van kwaliteit. Er
moeten daartoe meerdere 'pensioen Ikea's' bestaan,
want we willen er natuurlijk graag een in de buurt.
Ze bieden genoeg keuzeruimte voor verschillende
beleggingsstijlen maar het prefab karakter zorgt
ervoor dat we niet al te grote brokken kunnen
maken. En minder handige mensen kunnen tegen geringe
meerprijs gebruikmaken van de persoonlijke financiële
planning service.
Dan over het solidariteitselement. Het meest in
het oog springend is de solidariteit van jongere
jegens oudere werknemers. In ons stelsel betalen
we een, niet-leeftijdsgebonden, doorsneepremie.
Actuarieel gezien hoeft een 25-jarige voor opbouw
van dezelfde rechten echter veel minder te betalen
dan een 64-jarige. Solidariteit tussen generaties
is een, bijkans al, genetisch bepaald overlevingsmechanisme.
Ook volgens de gelijkekansentheorie van Rawls
is er niets mis mee. Zolang de spelregels tussentijds
niet materieel veranderen.
Carrièremakers zijn daarnaast beter af dan mensen
met een stabiel salaris - al wordt dit deels tenietgedaan
door de migratie naar middelloonregelingen. Ook
hier geldt de gelijkekansentheorie - iedereen
heeft immers de kans om carrière te maken. Anders
ligt het natuurlijk wanneer er kunstmatig plotselinge
salarisstijgingen in de jaren kort voor het pensioen
worden doorgevoerd.
Ook het feit dat vrouwen van 65 een vijf jaar
hogere levensverwachting hebben dan mannen van
die leeftijd is niet iets om uit het pensioencontract
te bannen. Levensverwachting is immers een - enigszins
beïnvloedbare - vrije kans. En dat vrouwen iets
anders in elkaar zitten dan mannen heeft ontegenzeggelijk
evolutionaire voordelen.
Twijfel is gerechtvaardigd waar het gaat om de
burgerlijke staat. Mensen zonder partner betalen
mee aan het overlijdensrisico van collega's met
een partner. Het aangaan van een geregistreerde
relatie moet echter toch een vrije keuze zijn
en bij voorkeur niet gemotiveerd door te behalen
pensioenvoordelen. Diverse regelingen verzachten
die pijn overigens al via de mogelijkheid van
uitruil van het nabestaandenpensioen voor gewone
pensioenrechten. Die twijfel geldt ook voor het
toetreden tot een fonds met grote overschotten.
Schaadt het niet de vrijheden van zittende deelnemers
als dan vooraf geen verrekening plaatsvindt?
Bij het zoeken naar het beste pensioencontract
zijn er zonder meer grenzen aan de mate van solidariteit
die de moderne mens wil opbrengen. Bij het moderniseren
van pensioenregelingen is het daarom van belang
dat verstandig wordt omgegaan met dit schaarse
'goed'. Op basis van praktische en filosofische
inzichten concludeer ik dat het pensioenbeheer
tot op zekere hoogte collectief en verplicht moet
blijven geschieden. Ten aanzien van de verschillende
soorten solidariteit geldt dat ze een voor een
tegen het licht gehouden kunnen worden. Op basis
van hedendaagse sociaal-politieke ideeën of bijvoorbeeld
op basis van filosofische inzichten over een rechtvaardige
samenleving.
Dit is het derde deel in een serie maandelijks
te plaatsen verhalen over pensioenen en het pensioenstelsel.
Ronald Wuijster is hoofd Strategie & Research
bij ABP Vermogensbeheer. Dit artikel is op persoonlijke
titel geschreven
Publ. datum: 6 april 2007
Bron: © Het Financieele Dagblad